KB 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen
dinsdag 14 maart 2006
16 FEBRUARI 2006
Koninklijk besluit betreffende de nood- en interventieplannen
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de artikelen 37 en 108 van de Grondwet;
Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, inzonderheid op artikel 2 en artikel 2ter, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2003;
Gelet op de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, inzonderheid op artikel 1;
Gelet op de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, inzonderheid op artikel 17;
Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
Gelet op het koninklijk besluit van 31 januari 2003 tot vaststelling van het noodplan voor de crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 juni 2005;
Gelet op het advies nr. 39042/2 van de Raad van State, gegeven op 26 september 2005;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Eerste deel
BEPALINGEN BETREFFENDE NOODPLANNING
HOOFDSTUK I. - Definities
Artikel 1. In de zin van dit besluit verstaat men onder :
1. Bevoegde overheid :
a. Op gemeentelijk niveau : de burgemeester;
b. Op provinciaal niveau met inbegrip van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad : de gouverneur;
c. Op federaal niveau : de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort en, voor wat de medische, sanitaire en psychosociale hulpverlening betreft, de Minister tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort, hierna genoemd de Minister.
2. Coördinatiecomité (CC)
De multidisciplinaire cel die de bevoegde overheid bijstaat bij de beleidscoördinatie.
3. Commandopost operaties (CP-Ops)
De bevelvoering samengesteld uit operationeel verantwoordelijken van de disciplines die de directeur operaties bijstaan bij de operationele coördinatie.
4. Discipline
Een functioneel geheel van opdrachten die door verschillende tussenkomende diensten worden uitgevoerd.
5. Noodplanning
De rampenplannen voor hulpverlening, zoals bedoeld in artikel 2ter van de wet van 31 december 1963, en alle andere plannen die in opdracht van de overheid worden opgesteld om een noodsituatie te beheersen.
Hoofdstuk II. - Structuur en toepassingsveld van de noodplanning
Art. 2. De noodplanning bestaat uit de volgende plannen :
- het multidisciplinair nood- en interventieplan;
- het monodisciplinair interventieplan;
- het intern noodplan.
Art. 3. Het nood- en interventieplan, hierna het NIP genoemd, dat het multidisciplinair optreden regelt, wordt opgemaakt op federaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Het NIP omvat :
- het algemeen nood- en interventieplan, hierna ANIP genoemd, dat de algemene richtlijnen en de nodige informatie bevat om het beheer van een noodsituatie te verzekeren;
- het bijzonder nood- en interventieplan, hierna BNIP genoemd, dat het ANIP aanvult met bijkomende specifieke richtlijnen betreffende een bijzonder risico.
Art. 4. Het monodisciplinair interventieplan regelt de interventiemodaliteiten van één discipline, in overeenstemming met de bestaande NIP.
Art. 5. Het intern noodplan is een document op het niveau van het bedrijf en/of instelling, dat erop gericht is de schadelijke gevolgen van een noodsituatie te beperken door het uitwerken van aangepaste materiële en organisatorische noodmaatregelen, opgesteld door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling.
Art. 6. § 1. - De voornoemde nood- en interventieplannen zijn van toepassing bij noodsituaties of dreigende noodsituaties.
§ 2. - Onder noodsituatie verstaat men :
- elke gebeurtenis die schadelijke gevolgen voor het maatschappelijk leven veroorzaakt of veroorzaken kan, zoals een ernstige verstoring van de openbare veiligheid, een ernstige bedreiging ten opzichte van het leven of de gezondheid van personen en/of ten opzichte van belangrijke materiële belangen, en waarbij de coördinatie van de disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken;
Hoofdstuk III. - Niveaus en fasering
Art. 7. De beleids- en operationele coördinatie van de interventies gebeurt op drie niveaus, die fases genoemd worden.
1° De gemeentelijk fase, die betrekking heeft op de interventie van de hulpdiensten wanneer de omvang van de noodsituatie een beheer ervan door de burgemeester vereist;
2° De provinciale fase, die betrekking heeft op de interventie van de verschillende hulpdiensten
a) ofwel wanneer de omvang van de noodsituatie een beheer ervan door de gouverneur vereist;
b) ofwel wanneer de directe gevolgen van de noodsituatie het grondgebied van de gemeente overschrijden;
3° De federale fase, die betrekking heeft op het beheer van een noodsituatie wanneer deze beantwoordt aan één van de bedoelde criteria in artikel 4.1 van het koninklijk besluit van 31 januari 2003 tot vaststelling van het noodplan voor de crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen.
Art. 8. § 1. De beslissing om de gemeentelijke fase af te kondigen, komt toe aan de territoriaal bevoegde burgemeester.
De beslissing om de provinciale fase af te kondigen, komt toe aan de territoriaal bevoegde gouverneur.
De beslissing om de federale fase af te kondigen, komt toe aan de Minister.
§ 2. Wanneer een gemeentelijke fase wordt afgekondigd, informeert de burgemeester hierover de gouverneur.
Wanneer een provinciale fase wordt afgekondigd, informeert de gouverneur hierover de Minister.
Hoofdstuk IV. - De disciplines
Art. 9. Elke discipline stelt een monodisciplinair interventieplan op.
Art. 10. § 1. De discipline 1 heeft betrekking op de hulpverleningsoperaties.
§ 2. De opdrachten betreffende de hulpverleningsoperaties omvatten onder andere :
1° de noodsituatie beheersen en de hieraan verbonden risico's uitschakelen;
2° de personen opsporen, bevrijden, helpen, redden en in veiligheid brengen en hun goederen beschermen;
3° personen en goederen opeisen;
§ 3. De taken van discipline 1 worden uitgevoerd door de openbare brandweerdiensten en de operationele eenheden van de civiele bescherming, overeenkomstig het koninklijk besluit van 7 april 2003 tot verdeling van de opdrachten inzake civiele bescherming tussen de openbare brandweerdiensten en de diensten van de civiele bescherming.
§ 4. De leiding van de hulpverleningsoperaties berust bij de directeur brandweer, hierna Dir-Bw genoemd.
De Dir-Bw is de op de plaats van de interventie aanwezige brandweerofficier met de hoogste graad. Bij gelijkheid van graad heeft de oudste in graad voorrang.
De functies van Dir-BW, van de verantwoordelijke van discipline 1 binnen het coördinatiecomité en van directeur van de CP-Ops zijn niet cumuleerbaar.
Art. 11. § 1. Discipline 2 heeft betrekking op de medische, sanitaire en psychosociale hulpverlening en omvat onder andere :
1° de oprichting van de medische keten;
2° het toedienen van de geneeskundige en psychosociale zorgen voor slachtoffers en de bij de noodsituatie betrokken personen;
3° het vervoer van slachtoffers;
4° het nemen van maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid.
§ 2. De taken van discipline 2 worden uitgevoerd door die diensten die deelnemen aan de uitvoering van de dringende geneeskundige hulpverlening, alsmede de diensten opgenomen in het monodisciplinair interventieplan.
§ 3. In een noodsituatie worden de medische middelen onder het administratief gezag geplaatst van de federaal gezondheidsinspecteur, en berust de operationele leiding bij de directeur medische hulpverlening, hierna Dir-Med genoemd.
De Dir-Med wordt aangeduid volgens de bepalingen van het monodisciplinair interventieplan voor discipline 2.
Art. 12. § 1. Discipline 3 betreft de politie van de plaats van de noodsituatie.
§ 2. De opdrachten betreffende de politie van de plaats van de noodsituatie omvatten onder andere :
1° de openbare orde handhaven en herstellen;
2° de toegangs- en evacuatiewegen vrijhouden en, in voorkomend geval, de hulpdiensten en de middelen begeleiden naar de plaats van de gebeurtenis;
3° de perimeters installeren, fysisch afbakenen, signaleren en bewaken en de toegangscontrole verzekeren aan de zones bedoeld in artikel 25 van dit besluit;
4° de evacuatie van de bevolking uitvoeren en toezien op het schuilen;
5° de overledenen identificeren;
6° bijstand verlenen aan het gerechtelijk onderzoek.
§ 3. Deze taken worden uitgevoerd door de leden van de federale en/of lokale politie, conform de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
§ 4. De operationele leiding van de opdrachten van bestuurlijke politie berust bij de directeur Politie, hierna Dir-Pol genoemd. De Dir-Pol is de vertegenwoordiger van het politieniveau dat is aangewezen in toepassing van de artikelen 7/1 tot 7/3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 13. § 1. Discipline 4 betreft de logistieke steun.
§ 2. De opdrachten betreffende de logistieke steun omvatten onder andere :
1° de versterking inzake personeel en materieel verzekeren evenals speciaal reddings- en hulpverleningsmaterieel leveren;
2° de technische middelen voor communicatie organiseren tussen de disciplines, de commandopost operaties en het (de) coördinatiecomité(s);
3° de bevoorrading organiseren van levensmiddelen en drinkwater voor de hulpdiensten en de getroffenen;
4° diverse werken uitvoeren;
§ 3. De taken van discipline 4 worden uitgeoefend door de operationele eenheden van de civiele bescherming, de openbare brandweerdiensten en de gespecialiseerde openbare en private diensten.
§ 4. De diensten van de civiele bescherming treden van ambtswege op bij noodsituaties waarbij de provinciale of de federale fase afgekondigd wordt.
§ 5. De leiding van discipline 4 berust bij de directeur logistiek, hierna Dir-Log genoemd.
De Dir-Log is het lid met de hoogste graad van de operationele eenheden van de civiele bescherming, tenzij de CP-Ops in functie van de operationele inzet anders beslist.
Art. 14. § 1. Discipline 5 heeft betrekking op de informatie.
§ 2. De opdrachten betreffende de informatie omvatten onder andere :
1° tijdens de noodsituatie :
- de informatie en richtlijnen aan de bevolking;
- de informatie aan de media;
2° na het opheffen van de noodsituatie :
- de informatie over de maatregelen voor de terugkeer naar de normale situatie.
§ 3. De organisatie van de informatie berust bij de directeur informatie, hierna Dir-Info genoemd.
De Dir-Info wordt door de bevoegde overheid aangeduid.
§ 4. De opdrachten van discipline 5 worden uitgevoerd door de bevoegde overheid of zijn afgevaardigde.
§ 5. In geval van de federale fase :
- is de bevoegde Minister belast met de coördinatie van de algemene informatie aan de bevolking. Hij wordt in deze taak bijgestaan door de betrokken gouverneurs en burgemeesters;
- zijn de betrokken burgemeesters en gouverneurs belast met de informatieverstrekking over de maatregelen die de getroffenen moeten nemen om zich te beschermen.
Hoofdstuk V. - Coördinatie
Afdeling I. - De operationele coördinatie
Art. 15. § 1. De operationele coördinatie op de plaats van de noodsituatie berust bij de directeur van de CP-Ops, hierna de Dir-CP-Ops genoemd.
§ 2. De functie van Dir-CP-Ops wordt waargenomen door de op de plaats van de interventie aanwezige brandweerofficier met de hoogste graad. In geval van gelijkheid van graad heeft de oudste in graad voorrang. De bevoegde overheid kan een leidinggevende van een andere discipline, die meer bij de noodsituatie betrokken is, aanduiden voor het vervullen van de functie van Dir-CP-Ops,
§ 3. De voornaamste opdrachten van de Dir-CP-Ops zijn de volgende :
- de commandopost operaties (CP-Ops) oprichten en leiden;
- de multidisciplinaire hulpverlening coördineren.
§ 4. De Dir-CP-Ops draagt de volledige verantwoordelijkheid van de beleidscoördinatie in afwachting van de installatie van een coördinatiecomité.
Art. 16. § 1. De Dir-CP-Ops wordt bijgestaan door een operationele commandopost (CP-Ops) die minimaal bestaat uit de directeurs van elke betrokken discipline.
§ 2. De opdrachten van de CP-Ops zijn onder andere :
1° het opstellen van een eerste operationeel situatierapport;
2° toezien op een regelmatige informatie over de evolutie van de gebeurtenis aan de betrokken overheden en aan het bevoegde centrum van het eenvormig oproepstelsel;
3° de bevoegde overheden adviseren en de door hen genomen beslissingen uitvoeren of laten uitvoeren;
4° het interventieterrein organiseren en indien nodig de zonering installeren en opheffen, conform het hoofdstuk VII van dit besluit;
Art. 17. De Dir-CP-Ops duidt een adviseur aan belast met het evalueren van de risico's verbonden aan de inzet van personeel bij hulpoperaties en met het voorstellen van de gepaste maatregelen.
Afdeling II. De beleidscoördinatie.
Art. 18. De burgemeester staat in voor de beleidscoördinatie wanneer de gemeentelijke fase afgekondigd wordt.
Art. 19. De gouverneur staat in voor de beleidscoördinatie wanneer de provinciale fase afgekondigd wordt. De burgemeesters staan in voor de beleidscoördinatie in hun gemeente, volgens de onderrichtingen die hen gegeven worden door de gouverneur.
Art. 20. De Minister staat in voor de beleidscoördinatie wanneer de federale fase afgekondigd wordt. De gouverneurs staan in voor de beleidscoördinatie in hun provincie, volgens de onderrichtingen die hen gegeven worden door de Minister.
Art. 21. § 1 De burgemeester, respectievelijk de gouverneur, wordt bijgestaan door een coördinatiecomité dat hij voorzit.
§ 2. Het gemeentelijk coördinatiecomité bestaat minimaal uit :
- de ambtenaar verantwoordelijk voor de noodplanning;
- de verantwoordelijke van elke discipline, aangeduid door elke discipline zelf.
§ 3. Het provinciaal coördinatiecomité bestaat minimaal uit :
- de ambtenaar verantwoordelijk voor de noodplanning;
- de verantwoordelijke van elke discipline, aangeduid door elke discipline zelf;
- de burgemeester(s) van de betrokken gemeente(n).
Art. 22. De voorzitter kan de vertegenwoordigers van alle diensten, die nodig zijn voor het beheer van de noodsituatie, oproepen voor de vergaderingen van het coördinatiecomité.
Hoofdstuk VI. - Centrum van het eenvormig oproepstelsel
Art. 23. § 1. Naast de opdrachten die behoren tot de dringende geneeskundige hulpverlening zijn de centra van het éénvormig oproepstelsel belast met de volgende opdrachten :
1° het alarmeren en het oproepen voor interventie van de hulpdiensten, evenals van alle noodzakelijke diensten, middelen en personen;
2° het alarmeren en het oproepen van de bevoegde overheden;
3° het alarmeren van de betrokken ziekenhuisdiensten;
§ 2. Zij oefenen deze opdrachten uit overeenkomstig de nood- en interventieplannen die hen werden meegedeeld.
Hoofdstuk VII. - Organisatie van het interventieterrein
Art. 24. § 1. Voor de organisatie van het geteisterd gebied en zijn omgeving worden zones ingericht.
§ 2. De noodplanningszone is een zone voor welke, in functie van een bijzonder risico, de nodige maatregelen op voorhand worden bepaald in het BNIP.
§ 3. De interventiezone is een zone die, in functie van een concrete noodsituatie, wordt afgebakend en waarbinnen de nodige maatregelen genomen worden om de noodsituatie te beheren.
Art. 25. § 1. De interventiezone wordt, volgens de onderrichtingen van de Dir-CP-Ops als volgt ingedeeld :
1° De rode zone, begrensd door de uitsluitingsperimeter, waarin de interventie gebeurt, is toegankelijk mits akkoord van de Dir-CP-Ops, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen :
- voor de interveniërende hulpdiensten,
- voor de deskundigen en de technici.
2° De oranje zone, begrensd door de isolatieperimeter, waarin de logistieke steun van de hulpdiensten georganiseerd wordt, is bijkomend toegankelijk voor de personen die er wonen of werken, mits akkoord van de Dir-CP-Ops en mits de naleving van de door hem gegeven richtlijnen.
3° De gele zone, begrensd door de ontradingsperimeter, is een zone die ontraden wordt aan personen die er niet wonen of werken en waar de nodige maatregelen worden genomen om de toegang voor de hulpdiensten en het vlot verloop van de hulpacties te waarborgen.
Tweede deel
DE NOOD- EN INTERVENTIEPLANNEN
Hoofdstuk I. - Het opstellen van de nood- en interventieplannen
Afdeling I. - Minimale inhoud
Art. 26. De NIP bevatten minimaal :
1° de algemene inlichtingen betreffende de betrokken provincie of gemeente zoals :
a) het overzicht van de betrokken functies;
b) de inventaris van de risico's;
c) de lijst van de federale, provinciale en gemeentelijke diensten en hun inzetbare middelen;
d) de lijst van informatiecentra, van de gespecialiseerde diensten en van hun middelen;
2° de procedures inzake de alarmering van de bevoegde overheid, van de verantwoordelijken van de verschillende disciplines, alsook van de potentieel betrokken overheden en diensten;
3° de aan te wenden communicatiemiddelen en het aan te wenden communicatieschema;
4° de modaliteiten inzake afkondiging, opdeling en opschaling van de fasen;
5° de organisatie van de operationele- en beleidscoördinatie;
6° de organisatie van de informatieverstrekking aan de bevolking en aan de getroffenen;
7° de modaliteiten van organisatie van oefeningen, evenals hun frequentie;
8° de methodologie van de bijwerking van de NIP;
9° de modaliteiten en middelen van vervoer, opvang en huisvesting van de getroffenen in geval van evacuatie;
10° de modelberichten en -formulieren die over een noodsituatie informatie geven, deze bevestigen en het einde ervan aankondigen alsook het modelformulier voor het logboek.
Art. 27. § 1. De BNIP omvatten ten minste :
1° een beschrijving van het betrokken risico en het bepalen van de noodplanningszone;
2° de bijzondere interventiemiddelen;
3° de gegevens van de personen die specifiek betrokken zijn bij het risico;
4° de ongevallenscenario's en de interventieprocedures voor elk scenario;
5° de organisatie van de coördinatie van de operaties;
6° de beschermingsmaatregelen van personen en goederen;
7° de mogelijke plaatsen van het CP-Ops;
8° de wijze en de procedures van informeren van de hulpdiensten en van de bevolking;
9° aanduiding van de discipline die de functie van Dir-CP-Ops uitoefent.
§ 2. De BNIP betreffende een gelokaliseerd risico bevatten bovendien :
1° de geografische situatie van de inrichting of van de site;
2° de algemene gegevens betreffende de betrokken inrichting of het betrokken risico :
a) de algemene inlichtingen over de activiteiten van de inrichting en in het bijzonder over de risico's verbonden aan haar activiteit alsook de inventaris van de gevaarlijke producten of activiteiten;
b) de lijst van de verantwoordelijke personen en hun bereikbaarheidsgegevens;
c) de eigen hulpmiddelen van de inrichting;
3° de noodplanningzone met inbegrip van :
a) de instellingen van perimeters;
b) de relevante geografische, demografische en economische factoren;
c) de andere risicovolle inrichtingen en activiteiten.
Art. 28. § 1. De BNIP betreffende de risico's, bedoeld in het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, vallen onder toepassing van onderhavig besluit, behoudens de bijzondere maatregelen voorzien in het voornoemde Samenwerkingsakkoord.
§ 2. De BNIP betreffende de risico's bedoeld in het koninklijk besluit van 17 oktober 2003 tot vaststelling van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied, vallen onder toepassing van onderhavig besluit, behoudens de bijzondere maatregelen van het voornoemde koninklijk besluit.
§ 3. De exploitant van de bedoelde inrichting of site bezorgt alle noodzakelijke informatiegegevens voor het opstellen van het BNIP.
Afdeling II. - De veiligheidscel
Art. 29. § 1. Er wordt een veiligheidscel per gemeente en per provincie opgericht.
§ 2. Deze veiligheidscellen zijn belast met de volgende taken :
1° actualiseren van de nood- en interventieplannen en de bestemmelingen ervan op de hoogte brengen;
2° organiseren van oefeningen;
3° evalueren van noodsituaties en oefeningen;
4° opmaken van de risico-inventaris en -analyse;
5° organiseren van de voorafgaande informatie over de noodplanning.
Art. 30. § 1. De gemeentelijke veiligheidscel is minimaal samengesteld uit :
- de burgemeester;
- de vertegenwoordiger van elke discipline;
- de ambtenaar verantwoordelijk voor de noodplanning, die tevens instaat voor het secretariaat.
§ 2. De provinciale veiligheidscel is minimaal samengesteld uit :
- de gouverneur;
- de vertegenwoordiger van elke discipline;
- de ambtenaar verantwoordelijk voor de noodplanning, die tevens instaat voor het secretariaat.
Afdeling III. - De bestemmelingen
Art. 31. § 1. De burgemeester en de gouverneur bezorgen, ieder wat hem betreft, het NIP aan de overheden en diensten, die erin zijn opgesomd.
§ 2. Deze bestemmelingen moeten elke wijziging aan de over hen voornoemde gegevens onmiddellijk aan de burgemeester of de gouverneur meedelen.
Derde deel
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Art. 32. De NIP, die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit werden opgesteld, worden, al naargelang van het geval, goedgekeurd door de gouverneur of de Minister.
In afwachting hiervan blijven de bestaande rampenplannen van toepassing.
Art. 33. Worden opgeheven de volgende bepalingen :
a) de artikelen 14, derde lid, en 15 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweer en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1978;
b) de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 23 juni 1971 houdende organisatie van de opdrachten van de civiele bescherming en coördinatie van de operaties bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen;
c) het koninklijk besluit van 19 juni 1990 tot vaststelling van de wijze van opmaken van rampenplannen voor hulpverlening.
Art. 34. De Minister legt de praktische toepassingsmodaliteiten vast van de bepalingen van dit besluit.
Art. 35. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 16 februari 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE


Publicatie : 2006-03-15