Van onze redacteur

Van de ongeveer 8.000 ritten die de Gentse ambulanciers elk jaar uitvoeren, zijn er zo'n 1.500 nutteloos, schat Gilbert Steens, diensthoofd Ziekenvervoer bij de brandweer. ‘Ofwel gaat het om een valse oproep, ofwel is het voor iets dat niet dringend is. Het zou niet de eerste keer zijn dat we uitrukken om elf uur 's middags om iemand gewoon van de huisarts naar het ziekenhuis te brengen. Die nutteloze ritten moeten we helaas vaak uitvoeren, ook al is het systeem van het noodnummer 100 daar niet voor bedoeld. We zijn verplicht om elke oproep even ernstig te nemen. Wanneer we als ambulancier de opdracht krijgen om ergens naartoe te trekken, weten we ook niet altijd perfect waar het om gaat.'

Drank en drugs

Dezelfde grieven zijn te horen bij zijn Antwerpse collega's. ‘Vanaf donderdagavond zien wij een stijging in dat soort oproepen, vooral in de oude binnenstad', zegt brandweerluitenant Bert Brugghemans. ‘Het probleem is dat iemand onder invloed van drank of drugs dezelfde symptomen vertoont als van sommige aandoeningen. Mensen vinden ergens een alcoholicus en bellen de ziekenwagen, of de politie wil het zekere voor het onzekere nemen.'

‘Tegen dat soort interventies kun je maar weinig doen. Het is gewoon erg. Onze ziekenwagen die in hartje Antwerpen staat, moet tijdens de weekends tot zestig procent van zijn tijd daaraan besteden.'

Antwerpen, Gent, Leuven, of Brussel: bij de stedelijke korpsen klinkt overal dezelfde verzuchting. Op zich ergeren de ambulanciers zich niet aan de personen die het nummer100 draaien omdat ze buikpijn hebben. Als ze terugkeren van zo'n opdracht voelen ze wel soms de frustratie opborrelen. ‘Wat als je bezig bent met een kleinigheid, de twee andere ambulances bezet zijn en je een oproep krijgt voor een hartinfarct?' vraagt de brandweer van Leuven zich af. ‘Dan moet er al een ander korps, dat van verder komt, uitrukken. Het gebeurt wekelijks.'

Ziekenwagens hebben deels de functie van ‘taxi', maar dan alleen wanneer het om niet-dringend medisch vervoer gaat. Vaak staan het Rode Kruis of privéfirma's daarvoor in. Anders ligt het voor dringend ziekenvervoer, dat meestal vertrekt vanuit de brandweerkazerne. Wettelijk gezien mogen zij enkel worden uitgestuurd bij urgente problemen - zoals het in de omschrijving staat dus.

Het is de centrale van de 100 die beslist om een ziekenwagen uit te sturen. Via de telefoon moet de dispatcher inschatten hoe ernstig de oproep is. Dat is niet zo vanzelfsprekend. ‘Ze kunnen wel proberen om het af te blokken', vindt de Gentse commandant. ‘Een doorverwijzing naar het Rode Kruis zou ons vooruit helpen, of gewoon zeggen dat iemand met hoofdpijn een Dafalgan (pijnstiller, red.) moet nemen en een taxi opbellen.'

Om de ernst te bepalen hebben de dispatchers een vragenlijst die ze moeten afwerken. Dat voorkomt ook dat iemand belt, roept dat er brand is en dan meteen inhaakt.

‘Maar als ze drie minuten aan de telefoon hangen, betekent dat even goed tijdverlies voor de ziekenwagen', zegt Mario Verdonck van de Leuvense brandweer. Op die manier dreigt een te fors uitgevallen buffer voor de ‘kleine' oproepen het moeilijker te maken om snel te reageren bij de ernstige gevallen.

Mentaliteit veranderen

De FOD (federale overheidsdienst) Binnenlandse Zaken werkt aan een verbeterde opleiding van de zogeheten ‘calltakers' in de 100-centrales, maar de ambulanciers verwachten niet dat zoiets veel zal veranderen.

‘De burger moet vooral zijn mentaliteit veranderen', zegt de Antwerpse luitenant Bruggheman. ‘Op het moment dat iemand een ziekenwagen bezet, kunnen we die niet meer gebruiken voor wie het echt nodig heeft.'

Ondertussen blijven de ambulanciers elke oproep als prioritair beschouwen. ‘We vertrekken liever een keer te veel voor een dronkaard', klinkt het in Gent. ‘Wie weet is hij deze keer met zijn hoofd op de borduur gevallen, en dat is ernstig.'

Bron: De Standaard