Startpagina arrow Dossiers arrow Opleiding arrow Technische hulpverlening bij ongevallen met geknelde personen
Opmerkelijke gebeurtenissen
Hoofdmenu
Startpagina
Nieuws
Opmerkelijke gebeurtenissen
Dossiers
Discussieforum
Nieuwsbrief
Polls
Zoek
Updates
Algemene informatie
Hulpdiensten in BelgiŽ
De Brandweer
Dringende Geneeskundige Hulpverlening
De Civiele Bescherming
Andere Diensten en organisaties
Rampenplanning
Nuttige Info
Links
STAGES - NIEUW!
Polls
Ben jij overdag als vrijwilliger beschikbaar voor jouw brandweerkorps?
 

Technische hulpverlening bij ongevallen met geknelde personen PDF Afdrukken E-mail
geschreven door OLT Wouter Meuwis - Brandweer Leuven   
donderdag 19 mei 2005

Technische hulpverlening bij ongevallen met geknelden

Inhoudstabel


1. Inleiding

2. Organisatie van de technische hulpverlening: de SAVER methode

3. Een veilige werkplek

4. Stabilisatie van het voertuig

5. Glasmanagement

6. Reddingsgereedschappen

7. Bevrijdingstechnieken

8. Gevaren bij de bevrijding van het slachtoffer

9. Nawoord



1. Inleiding

Deze cursustekst moet beschouwd worden als een summiere, praktijkgerichte handleiding over de technische hulpverlening bij ongevallen met geknelden.
Het doel is om de lezer van deze tekst een basis te verschaffen over de organisatie van de brandweer en de mogelijke reddingstechnieken die in de praktijk toegepast worden.
Het is van essentieel belang dat bij een bevrijding van een gekneld slachtoffer de brandweerdienst en de medische dienst vlot samenwerken. Het slachtoffer moet steeds centraal gesteld worden. Beide disciplines moeten constructief overleg plegen waarbij rekening gehouden wordt met ieders capaciteiten en mogelijkheden.


2. Organisatie van de technische hulpverlening: de SAVER methode

Op 19 april 2004 zijn de Leuvense brandweer en de spoedgevallendienst UZ Leuven van start gegaan met de SAVER-methode.
SAVER staat voor Systematic Approach to Victim Entrapment Rescue.
Vrij vertaald betekent dit de systematische aanpak van de bevrijding van geknelde slachtoffers bij verkeersongevallen.

De filosofie van de SAVER-methode steunt op 2 pijlers:

- Ten eerste gaat men uit van het principe dat hulpverlening een teamsport is. Een duidelijke communicatie tussen alle hulpdiensten is een noodzaak. Wil men komen tot een optimale inzet, dan moeten alle hulpdiensten inzicht hebben in ieders afzonderlijke mogelijkheden, prioriteiten, organisatie en werkwijzen.

- Ten tweede geldt dat de SAVER-methode een systematische reddingsprocedure is. De brandweer vertrekt van een basis inzetsysteem met 6 personen:

Bevelvoerder (B): leiden van de interventie, aanspreekpunt voor andere diensten
Technisch team (1 & 2): ruimte creëren rond het slachtoffer om bevrijding mogelijk te maken
Veiligheidsman (3): verantwoordelijk voor de veiligheid op de interventieplaats
Medisch assistent (4): eerste hulp toedienen aan het slachtoffer
Materiaalman (P): verantwoordelijk voor het technisch materieel

Elke brandweerman weet wat hij moet doen, wanneer dit moet gebeuren en hoe hij zijn taak correct uitvoert. Hierdoor vermijdt men misverstanden en werkt men efficiënter. De systematiek in de SAVER-methode is duidelijk, logisch en toepasbaar onder moeilijke omstandigheden.


Het invoeren van de SAVER-methode bij brandweer Leuven was een noodzaak en dit om volgende redenen:

- Ten eerste wordt de brandweer geconfronteerd met een toenemende complexiteit in de hulpverlening. Zowel de hulpverleningstechnieken als de reddingsgereedschappen moeten aangepast worden aan nieuwe voertuigtechnologieën zoals kreukelzones, versterkt dashboard, verstevigingsbalken, meerdere accu’s, airbags, kunststofglas, gordelspanners en nieuwe carrosseriematerialen.

- Ten tweede stelt de maatschappij steeds hogere eisen aan de hulpverleners. Er moet vermeden worden dat hulpverleners bijkomende verwondingen veroorzaken bij slachtoffers.

De SAVER-methode is opgebouwd uit 7 fasen. Per fase is vastgelegd welke hulpdienst effectief de taken gaat uitvoeren en welke doelstellingen moeten gerealiseerd worden.

- fase 1: benadering ongeval
- fase 2: risicobeheersing & stabilisatie
- fase 3: toegang verschaffen
- fase 4: traumazorg
- fase 5: ruimte creëren
- fase 6: bevrijding slachtoffer
- fase 7: evaluatie en oefening

Het gestructureerde interventieverloop duurt niet langer in tijd en verhoogt sterk de kwaliteit en efficiëntie van de interventie.


3. Een veilige werkplek

Een ongevalplaats kan vergeleken worden met een werkplek. Streefdoel is van steeds een veilige en georganiseerde werkplek te creëren.
Hiervoor worden reddingszones afgebakend, namelijk de werkcirkels van 5 en 10 meter.

Binnen de eerste werkcirkel, van 0 tot 5 meter rond de ongevalplaats, bevinden zich alléén de hulpverleners die rechtstreeks bij de redding betrokken zijn en de werktuigen die zij gebruiken. Dit is het actiegebied.
De niet-actieve hulpverleners en het gereedschap dat niet direct wordt ingezet bevinden zich tussen de 5 en 10 meter cirkel.
Buiten de 10 meter cirkel staan alle personen die niet deelnemen aan de redding (o.a. politie, omstaanders,…). Een dump wordt voorzien waarheen alle materialen afkomstig van het wrak naartoe gebracht worden.

De werkcirkels maken de werkplek overzichtelijker en veiliger voor zowel het slachtoffer als voor de hulpverleners.


4. Stabilisatie van het voertuig

Geaccidenteerde voertuigen moeten zo snel mogelijk gestabiliseerd worden.
Het stabiliseren van een voertuig is zowel voor het slachtoffer als voor de hulpverleners van groot belang.
Voor het slachtoffer is elke beweging die het voertuig maakt er één te veel. Door een goed uitgevoerde stabilisatie zal een uitbreiding van bestaande letsels aan het slachtoffer voorkomen worden.
Voor de hulpverleners vormt een instabiel voertuig een direct gevaar omdat het kan bewegen waardoor hulpverleners zich kunnen verwonden.

Stabilisatiemateriaal:
rechte blokkentrapeziumblokkenwiggen
spanriemenstutten
hefkussens


De stabilisatieblokken worden onder het voertuig geschoven. Dan worden de banden afgelaten en staat het voertuig muurvast op de blokken.

De stabilisatie van het voertuig moet volledig worden uitgevoerd voordat met de overige bevrijdingsacties mag worden begonnen!


5. Glasmanagement

Bij aanvang van de redding is het steeds aangewezen om het aanwezige glas uit het wrak te verwijderen. Het glas kan immers tijdens de reddingsoperatie ongecontroleerd kapot springen en zo het slachtoffer en de hulpverleners verwonden.

Voor het verwijderen van het glas bestaan er verschillende methoden:

- de ruit in zijn geheel verwijderen
- de ruit gecontroleerd laten springen door middel van een centerpons en de glaskorrels opvangen in een opvangbak
- de ruit uit- of doorzagen met een glaszaag
- de ruit in het portier draaien

Het slachtoffer wordt steeds beschermd met een gewapende plastiek doorkijkfolie.
De brandweer gebruikt ook steeds flexibele beschermplaten ter bescherming van het slachtoffer.


6. Reddingsgereedschappen

De brandweer beschikt over een assortiment van hydraulische reddingsgereedschappen om het slachtoffer uit het wrak te bevrijden.
Deze gereedschappen werken op oliedruk (720 bar!) en worden aangedreven door een hydraulische pomp.
De hydraulische gereedschappen zijn uitermate krachtig en kunnen bij onoordeelkundig gebruik serieuze verwondingen veroorzaken. Het technisch team van de brandweer bedient het reddingsgereedschap. Er wordt steeds gewerkt met minstens 2 personen.

Hydraulische pompen:
Gaan de gereedschappen zoals scharen, spreiders en rammen aandrijven.

Scharen:
Worden gebruikt om onderdelen van voertuigen te knippen om zodoende bepaalde onderdelen te verwijderen.

Spreiders:
Spreiders hebben 3 hoofdfuncties: spreiden, knijpen en trekken. Een portier kan bijvoorbeeld opengespreid worden.

Rammen:
Met behulp van krachtige hydraulische cilinders worden voertuigonderdelen uit elkaar gedrukt.


Met bovenstaande reddingsgereedschappen mag enkel gewerkt worden indien het reddingspersoneel alle voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen draagt:

- een helm is essentieel en moet altijd gedragen worden
- oogbescherming (veiligheidsbril of oogscherm)
- veiligheidshandschoenen moeten altijd gedragen worden
- veiligheidskledij moet het gehele lichaam bedekken en bescherming bieden tegen scherpe randen
- veiligheidslaarzen moeten altijd gedragen worden
- het is aanbevolen een masker met filter te dragen bij het snijden van glas en bepaalde kunststoffen



7. Bevrijdingstechnieken

Elk voertuigongeval is uniek. Variabelen zoals het model van het voertuig, het aantal voertuigen, hun positie, het aantal slachtoffers en hun toestand spelen allemaal een rol in het bepalen van de te ondernemen reddingsacties.
Een aantal reddingstechnieken en principes vormen echter de basis om een veilige en efficiënte redding uit te voeren. Bij al deze bevrijdingstechnieken wordt gestreefd om zoveel mogelijk ruimte te creëren rond het slachtoffer zodat de medische dienst het slachtoffer optimaal kan verzorgen.

Volgende basistechnieken worden door de brandweer geoefend en in de praktijk toegepast:

- verwijderen van een deur
- verwijderen van de zijkant van een voertuig
- creëren van een derde deur (bij 2-deurs voertuig)
- voertuig op zijn dak (‘oestermethode’)
- dakomslag (voorwaarts, achterwaarts of zijwaarts)
- volledige verwijdering van het dak
- dashboard-lift (dashboard verticaal wegdrukken)
- dahboard-roll (dashboard horizontaal wegdrukken)
- creëren van voet- en beenruimte

Een uitgebreide technische uitleg van bovenstaande reddingstechnieken kan u steeds bekomen bij het brandweerkorps van Leuven.


8. Gevaren bij de bevrijding van het slachtoffer

Op de interventieplaats zijn er veel potentiële gevaren die hulpverleners plots in slachtoffers kunnen transformeren.
Dikwijls waren de gevaren herkenbaar maar de aanwezige hulpverleners hebben er onvoldoende aandacht aan besteed.
Als basisregel kan gesteld worden dat elke hulpverlener op de interventieplaats eerst en vooral moet denken aan zijn eigen veiligheid.

Hieronder wordt een opsomming gegeven van de gevaren waarmee hulpverleners kunnen geconfronteerd worden.

8.1. Onveilige verkeerssituatie waardoor de hulpverleners slachtoffer worden van hun eigen interventie

Stel de voertuigen strategisch op. Brandweer zal een buffervoertuig voor het ongeval plaatsen zodat het opkomende verkeer wordt weggeleid. De medische dienst rijdt steeds het ongeval voorbij (minstens 10 meter).
Maak uzelf steeds herkenbaar. Laat steeds de blauwe zwaailichten opstaan en draag steeds uw reflecterende beschermkledij.

8.2. Brandgevaar

Brand in een voertuig kan ontstaan door een kortsluiting. Brandweer zal steeds de batterij van het voertuig ontkoppelen. Lekkende brandstof wordt opgevangen of geabsorbeerd met oil-dry (absorberende korrels)

8.3. (Niet ontplooide) airbags

De nieuwe voertuigmodellen kunnen tot 40 airbags bevatten. Er bestaan frontale airbags, zijdelingse airbags, knie- en voetairbags, hoofdairbags, gordelairbags, enz.

Indien de airbags geactiveerd zijn bij een ongeval is er geen direct gevaar meer voor de hulpverleners. Niet geactiveerde airbags kunnen door een fout in het besturingssysteem wel onverwacht afgaan en de hulpverleners zwaar verwonden.
Blijf dus steeds weg uit het ontplooigebied van een niet-geactiveerde airbag.
De brandweer zal ook steeds de accuklemmen van het voertuig losmaken maar dit biedt nog geen absolute garantie. Bepaalde modellen zijn immers uitgerust met noodstroomvoorzieningen die de airbags na ontkoppeling van de accu nog steeds kunnen laten afgaan.
Een airbaghoes zal steeds over het stuur aangebracht worden en verhindert de volledige ontplooiing van de airbag.
Verder zal de brandweer strategisch knippen in het voertuig zodat vermeden wordt dat de drukcilinders, die de airbags aandrijven, doorgeknipt worden.

8.4. Gordelspanners

Gordelspanners kunnen bij ongewenste activering ernstige lichamelijke verwondingen veroorzaken aan het slachtoffer.
De brandweer zal steeds de veiligheidsgordels ontkoppelen of doorsnijden.

8.5. Instabiele objecten

Instabiele objecten zoals afgeknapte bomen, verlichtingspalen of de geaccidenteerde voertuigen zelf kunnen de hulpverleners en het slachtoffer in gevaar brengen.
Daarom gaat de brandweer steeds alle instabiele externe objecten en het voertuig zelf stabiliseren.

8.6. Scherpe delen, glas, metaalsplinsters

Hulpverleners moeten steeds de voorgeschreven beschermkledij dragen. Wegspringend glas of metaalsplinsters kunnen immers serieuze verwondingen veroorzaken aan de ogen. Snijwonden ontstaan door contact met de scherp delen van het geaccidenteerd voertuig waarbij de hulpverlener zijn beschermkledij niet droeg.

Het slachtoffer wordt steeds beschermd met een gewapende plastiek doorkijkfolie en flexibele beschermplaten.


8.7. Lading, gevaarlijke stoffen

Vrachtwagens en kleine bestelwagens kunnen gevaarlijke producten vervoeren. In geval van een ongeval met gevaarlijke producten moeten de medische hulpverleners eerst en vooral voldoende afstand behouden. Brandweer zal de gevaarlijk stof identificiëren en bepaalt welke verdere maatregelen genomen zullen worden.

8.8. Nieuwe autotechnologieën

De enorme ontwikkelingen op het gebied van veiligere constructies van voertuigen hebben ertoe geleid dat technische hulpverleningstechnieken en reddingsgereedschappen moeten aangepast worden.

De aanwezige veiligheidsvoorzieningen in voertuigen variëren sterk van jaar tot jaar en van merk tot merk. Bovendien houden de constructeurs weinig rekening met de hulpverleners.
Vele voertuigen zijn reeds uitgerust met meerdere batterijen die allang niet meer op de klassieke plaats (onder de motorkap) worden weggeborgen. Verder worden steeds nieuwe en sterkere materialen gebruikt. Hierdoor krijgen de hulpverleners steeds moeilijker toegang tot het wrak en blijkt de kracht van hun technisch materiaal niet meer te volstaan.


9. Nawoord

In de komende jaren staat de brandweer voor een grote uitdaging op gebied van technische hulpverlening bij voertuigongevallen.
Duidelijke werkmethodes en technisch hoogwaardige reddingsgereedschappen moeten een antwoord bieden op de steeds vernieuwende autotechnologieën.
Een vlotte samenwerking tussen de brandweerdienst en de medische dienst is een absolute noodzaak en moet in de toekomst nog verder uitgebouwd worden.

OLT Wouter Meuwis - Brandweerdienst Leuven.
 
© 2005 VZW First-Response
All rights reserved.